Dubbelklik hier om de afbeelding te veranderen
Artikel Beyond Medicine

Er zijn ontwikkelingen die de gedachte van de iriscopietheorie steeds meer onderbouwen. De toekomst van de iris als biomarker komt steeds dichterbij. In dit artikel zullen wij u hierover informeren. Op de eerste plaats is iriscopie geen geneeswijze maar een diagnosemethode: een manier om snel te kunnen zien welke constitutie (basis gezondheidstoestand) iemand heeft, om aan de hand daarvan een diagnose te kunnen stellen ten aanzien van problemen of klachten op het fysieke en/of emotionele vlak, die de persoon mogelijk heeft of kan ontwikkelen. Daarnaast is microscopische irisdiagnostiek een zeer patiëntvriendelijke methode die, eventueel met een loep, zonder extra hulpmiddelen kan worden toegepast.

 

Samenvatting onderzoek

In 2005 bleek uit een Zweeds wetenschappelijk onderzoek (Biological Psychhology, 2007;75:165-75) dat sommige individuele kenmerken van de iris, anders dan de oogkleur, wel degelijk samenhangen met kenmerken van iemands persoonlijkheid. Hoewel daarmee nog lang niet alles van de irisdiagnostiek is verklaard, bevestigt dit onderzoek dat de iris nuttige informatie kan verschaffen voor het inzetten van een bepaalde therapie. Het onderzoek van Mats Larsson aan de Universiteit van Örebro in Zweden kwam met verrassende ontdekkingen naar buiten. ‘Mensen met verschillende iriskenmerken neigen zich langs verschillende persoonlijkheidstrajecten te ontwikkelen’. Afhankelijk van een kenmerk kan men bepaalde persoonlijkheidskenmerken hieraan toekennen. Hij ziet een grote toekomst weggelegd voor zijn nieuwe iriscopie: de iris als biomarker; op vliegvelden, ziekenhuizen en psychologische onderzoeksbu-reaus.

 

Iriscopie nu erkend

Iriscopie is de studie van de irisstructuur (iridologie) in het oog: vorm van lijnen, vlekken, pigmentkleur, lacunes en andere tekens vertellen ieder hun eigen verhaal. Het oog is een spiegel van de geest en het lichaam. Elk orgaan en elk deel van het menselijk lichaam reflecteert zich, in geval van ziekte, in een bepaald gedeelte van de iris, de zogenoemde orgaanvelden. Het lichaam en de geest kunnen danig uit balans raken door bijvoorbeeld verkeerde eet- en leefgewoontes, maar voornamelijk opvoedingsmethoden en denkwijzen. Hierdoor kunnen allerlei ziektes ontstaan. Dit wordt zichtbaar in de iris, vaak nog voordat klachten echt merkbaar zijn geworden. (citaat Iriscopienederland)

 

De wetenschappelijke verklaring ligt op het vlak van de neuronoptische reflex. Sensorische zenuwbanen afkomstig van de organen monden uit in de tussenhersenen, die dienen als een soort opslaggebied voor alle orgaancondities. Beeldsignalen gaan vanaf het netvlies via de oogzenuw naar de hersenen. Door schakelneuronen komt informatie bij het autonome zenuwstelsel, dat de pupilgrootte regelt door irisspiertjes wel of niet te stimuleren. De spieren in de iris zijn in tegenstelling tot alle andere spieren van neurale afkomst. De iris is verbonden met honderdduizenden zenuwen en staat via het netvlies in contact met de oogzenuw en de hersenen. Vanuit de hersenen lopen weer zenuwen van en naar de organen, waardoor de iris via de hersenen de conditie van de organen zou kunnen weergeven. De verklaring van Larsson is hierbij dat de gemeenschappelijke factor het gen Pax6 is, een gen dat zowel betrokken is bij de opbouw (of eigenlijk vooral het bijschaven) van de iris als van de voorste cingulate hersenschors, het gebied pal achter ons voorhoofd waar ons temperament zetelt. Mensen met een grotere cingulate schors in de rechter hersenhelft zijn wat vermijdend van aard, is de schors links wat groter, dan scoren zij hoger op impulsiviteit en behoefte aan nieuwe ervaringen. Een actief Pax6-gen zorgt voor veel groeven in de iris (officieel de ‘stomata van Fuchs’ geheten, ze zijn voor het doorlaten van vocht) en een kleinere linker cingulate schors (Pax6 schaaft links meer bij dan rechts). Larsson is sinds 1998 met zijn onderzoek bezig. Inmiddels heeft hij ook onderzocht in hoeverre ouders en kinderen dezelfde irissen hebben. Irissen bleken in hoge mate ‘overerfbaar’, wat betekent dat de genen belangrijker zijn dan het milieu. Voor de kroon op zijn werk verzamelde hij 428 studenten die bereid waren foto’s van hun irissen te laten maken en beoordelen, en die ook nog een standaard persoonlijkheidstest wilden doen. De computer ging aan het werk om alle verbanden uit te rekenen, en zoals gezegd, het verband was duidelijk. Hij gaf wel toe dat de verbanden vrij zwak zijn, en dat een strenge statisticus zelfs daar nog wel wat op zou kunnen afdingen. Maar, zo houdt hij vol, alles wijst toch in de goede richting.

 

Onderzoek

Er werden variabele persoonsgerichte analyses gebruikt om de correlatie tussen persoonlijkheid en drie verschillende iriskenmerken, n.l. crypten, pigmentvlekken en groeven, te onderzoeken. De persoonlijkheidsgegevens en kenmerken van de 428 studenten werden verzameld. De crypten werden significant geassocieerd met vijf gedragskenmerken: gevoelens, tederheid, warmte, vertrouwen en positieve emoties, terwijl de groeven werden geassocieerd met impulsiviteit. Deze bevindingen suggereren dat crypten, vermoedelijk via de neurologische controle-gen Pax6, tot weefseltekortkomingen in de linker cingularis cortex leiden, die op zijn beurt invloed heeft op het gedrag. De resultaten van het gebruik van een persoonsgeoriënteerde analyse suggereert dat mensen met verschillende configuraties in de iris neigen zich te ontwikkelen langs verschillende trajecten.

 

Natuurlijk is dit idee niet nieuw. In 1965 nam Cattell al waar dat er verschillen zijn in cognitieve stijlen tussen blauwe en bruine ogen (Cattell, 1965). Sindsdien wordt oogkleur gerelateerd aan een grote variëteit van fysiologische en gedragskenmerken. Mensen met donkere ogen hebben gemiddeld een hogere score op extraversie, en een snellere emotionele intensiteit. Hoewel er echter een aantal studies zijn die deze persoonlijke kenmerken zien vervagen na de vroege jeugd. Zo bleek bijvoorbeeld dat blauwogige kinderen op de laagste klassen van de basisschool oververtegenwoordigd zijn in groepen van kinderen die zich terugtrekken, terwijl er geen associatie gevonden kon worden in groep 4 tussen de kleur van de ogen en gedrag in de klas. Ook bij personen rond de 20 jaar en ouder gaf de oogkleur geen verschil aan voor het eventuele verschil tussen hoog versus laag scores op de persoonlijkheidskenmerken. Als gevolg hiervan gaat men ervan uit dat de biologische mechanismen die aan de oogkleur en sociale kenmerken ten grondslag kunnen liggen in de vroege jeugd, meestal rond de leeftijd van 9 jaar bij de toenemende invloed van de sociale milieufactoren ondergesneeuwd raken. Daarom concludeerden onderzoekers op dit gebied dat de kleur van je ogen niet kan worden gebruikt als een nuttige marker voor persoonlijkheid op oudere leeftijd.

 

Een van de redenen waarom oogkleur beschouwd kan worden als een bruikbare biomarker is het feit dat oogkleur niet veel verandert in de tijd, omdat het erfelijk bepaald is. Een andere belangrijke reden is dat de kleur van je ogen kan worden gekoppeld aan biologische mechanismen die, enigszins speculatief, maar toch aannemelijk, worden gevonden. Bijvoorbeeld, de melanine-productie in de ogen (het pigment dat de ogen bruin kleurt), kan worden geassocieerd met de noradrenaline- en cortisolproductie. Dit zijn biologische indexcijfers van de gedragsremming. Hoge niveaus van noradrenaline en cortisol kunnen dus potentieel beide remmen: de melanineproductie in het oog, evenals de verhoging van de responsiviteit van het limbische systeem. Het placenta-cortisolniveau tijdens het eerste stadium van de zwangerschap en het gen POMC, spelen waarschijnlijk een belangrijke rol bij de reactie van individuen op verschillende niveaus van opwinding, en de synthese van melanine mogelijk ook.

 

Wanneer je echter zorgvuldig de irissen van mensen onderzoekt, is het duidelijk dat er andere kenmerken zijn dan alleen de kleur van de ogen die mogelijk in verband kunnen worden gebracht met je persoonlijkheid, zoals de crypten, groeven, krampringen en pigmentvlekken. Daarom zijn er drie kenmerkende iriseigenschappen getest.

 

De drie iriskenmerken die van belang zijn in dit onderzoek zijn:

1. Frequentie van de stomata van Fuchs in het belangrijkste stromablad (van nu af aan “crypten” genaamd);

2. Frequentie van pigment- vlekken;

3. Het onderscheid en de uitbreiding van krampringen.

 

Crypten en krampringen (genotypische tekens) zijn eigenschappen die gerelateerd zijn aan de dikte en de dichtheid van de iris. Cryptenfrequentie wordt gekenmerkt door verschillende graden van ontwikkeling van de twee bovenste cellagen in de iris, namelijk die aan de voorkant ligt en de onderliggende stroma, terwijl krampringen worden gekenmerkt door verschillende graden van hypoplasie of dichtheid in al de vijf cellagen die aanwezig zijn in de iris. Het intrigerende van deze cellagen is dat de genen die de groei van deze cellagen beïnvloeden tijdens de embryologische ontwikkeling ook leiden tot verlies van weefsel in de hersenen. Bijvoorbeeld: de genen Pax6, Six3 en Lmx1b zijn herkend als kandidaat-genen voor het ontstaan van crypten en krampringen. Daarnaast bevestigen de meest recente beschikbare studies dat Pax6 een waarschijnlijke kandidaat-gen is voor weefselverschillen in de iris. Hierbij doseert Pax6 de invloed op de spierceldifferentiatie in de iris. Bovendien ondersteunen de patronen van deze genen in de hersenen het idee dat deze kenmerken van de iris kunnen worden geassocieerd met de persoonlijkheid. In de eerste studie die gepubliceerd is toonde men aan dat bij het niet goed functioneren van de frontale kwab familieleden met een mutatie in Pax6 een zeer hoog percentage van ongebruikelijk gedrag vertoonden, waaronder impulsief gedrag, verminderd sociaal begrip en verminderde verbale remming. Bovendien toonde MRI-scans aan in deze familie dat er lokale grijze en witte kleurveranderingen plaatsvonden in de schors van het voorste deel van de gyrus cinguli (evenals in het achterste deel van de corpus callosum (hersenstam) en deze hersengebieden worden geassocieerd met persoonlijkheid.

 

Ook is het een feit dat de productie van dopamine- en noradrenaline-neuronen wordt geassocieerd met de Pax6-werking, en deze stoffen hebben weer een relatie met onze persoonlijkheid. Hoewel Pax6 niet het enige kandidaat-gen is voor de cryptenfrequentie en de krampringen die mogelijk onze persoonlijkheid beïnvloeden.

Om onderscheid te maken tussen de biologische trajecten zou deze in theorie het veronderstelde verband tussen de kenmerken van de iris en de persoonlijkheid kunnen beïnvloeden. En om te beoordelen waarbij PAX6 een potentiële rol speelt, testen we drie hypothesen. Deze zijn grotendeels gebaseerd op de Pax6-expressie-patronen in de cortex cingularis anterior zoals gedocumenteerd door Ellison-White et al. (2004), en door de bevindingen van Pujol et al. (2002) en Davidson et al. (1992, 1999, 2001). Deze hypothesen verhogen hun specificiteit, en als alle drie de hypothesen waar blijken te zijn, dan zal de kans dat Pax6 betrokken is, ten opzichte van andere kenmerken, naar verwachting toenemen. Dus gebaseerd op de bevindingen hierboven, zal op de eerste plaats de crypte vaker dan andere iriseigenschappen kunnen worden geassocieerd met persoonlijkheid.

 

Er werden close-up foto’s gemaakt, van de beide irissen van alle studenten. Om te voorkomen dat er onscherpe foto’s werden gemaakt moesten alle deelnemers hun kin en wang laten rusten op een speciaal apparaat. De irisfoto’s werden getransformeerd tot digitale foto’s met behulp van Minoltas 35 mm Dimage Scan Dual film scanner.

Er werden drie indelingen vastgelegd, van elk iriskenmerk; de frequentie van de crypten, pigmentstippen en krampringen. Speciaal opgeleide onafhankelijke mensen beoordeelden de foto’s van de rechteriris. Zij vonden dat twee van de vijf persoonlijkheidskenmerken significant konden worden geassocieerd met cryptenfrequentie, dus ze waren aangenaam verrast. In tegenstelling tot groeven die alleen geassocieerd werden met neurotisme. Pigmentvlekken konden niet worden geassocieerd met een van de belangrijkste persoonlijkskenmerken. Hiermee werd de eerste hypothese bevestigd. Bovendien is onze tweede en derde hypothese dat het aantal crypten in de meeste gevallen in verband kan worden gebracht met bepaald gedrag en dat personen met een dichtere structuur van crypten hoger scoren op het vertonen van dergelijk gedrag. Dat wil zeggen, ze vertonen meer warmte, positieve emoties, openheid voor nieuwe ervaringen, gevoelens, behaaglijkheid, vertrouwen en tederheid.

 

De meest intrigerende bevinding was dat ook kleinere verschillen in het weefsel dan crypten van groot belang waren. Dit bleek op verschillende manieren. Ten eerste, de associatie tussen de groeven en het persoonlijkheidskenmerk impulsiviteit in de variabelen-georiënteerde analyse, waren net zo duidelijk aanwezig als de sterkste associatie gevonden voor crypten. Ten tweede, in de persoonsgeoriënteerde analyse kwam naar voren dat personen met groeven ten aanzien van de kenmerken neurotisch en nauwgezetheid, het verschil in hoog en laag aangaven, zelfs wanneer de personen in deze clusters dezelfde cryptenstructuur hadden.

 

Je kunt dus zeggen dat mensen met een dichte cryptenstructuur meer ontvankelijk waren voor hun innerlijke gevoelens, en de neiging hadden meer te sympathiseren en empatisch te zijn, dan mensen met een open cryptenstructuur. Maar het meest robuuste resultaat voor deze cryptenfrequentie is dat mensen met een dichte structuurvorm warmer en betrouwbaarder zijn dan anderen, en meer positieve emoties zoals vreugde, geluk en opwinding uiten. In ieder geval vaker dan mensen met een open cryptenstructuur. De conclusie is dat weefselverlies in de twee bovenste cellagen in de iris kan worden geassocieerd met een emotionele component van de persoonlijkheid.

 

Maar ook krampringen, die ook voorkomen in alle vijf de cellagen in de iris, blijken te kunnen worden geassocieerd met het emotionele functioneren. Groeven worden voornamelijk geassocieerd met impulsiviteit, en mensen met veel contractiegroeven waren minder in staat om hun verlangens onder controle te houden dan mensen met weinig contractiegroeven. Je kunt dus zeggen dat crypten het sterkst gerelateerd zijn aan de emotionele beleving ten aanzien van extravertheid, zachtaardigheid, warmte, vertrouwen, en positieve gevoelens, terwijl het effect voor contractiegroeven meer specifiek, en direct gerelateerd is aan impulscontrole.

 

Hoewel dit onderzoek al iets van de aspecten die de iriscopist gebruikt (mits goed toegepast en opgeleid) onderbouwt, zullen we hierover de aankomende jaren waarschijnlijk meer gaan horen. De iris als een uniek persoonsgebonden identiteitsbewijs, mét daarbij een psychologische analyse. Hoewel daarmee nog lang niet alles van de irisdiagnostiek is verklaard, bevestigt dit onderzoek dat de iris nuttige informatie kan verschaffen voor het inzetten van een bepaalde therapie. Het leek ons  een goede reden om iriscopie weer eens op een positieve manier onder de aandacht te brengen.

Bovendien gaan de technische ontwikkelingen ook steeds verder: eerst had je een iriscopie-apparaat (microscoop) nodig waar je in lenzen moest kijken om de iris goed te kunnen zien. Daarnaast waren er diverse ondersteunende apparaten, zoals een fotocamera, videoaansluitingen, etc. die het wat makkelijker moesten maken. Alles bij elkaar een forse investering. Of je moest kiezen voor een simpele lens, wat echter minder bevredigend werkte. Sinds kort bestaat er een handzame iris-camera die direct op de computer aangesloten is, waardoor je samen met de pa-tiënt naar de foto van de ogen kunt kijken op je computerscherm, en waarbij software de analyse eenvoudig maakt.